De vloeibare jongen
I
Na zijn versleten tooi en kleed te hebben
afgelegd, heeft hij zich licht gebukt gehurkt
bij de rivier gevoegd. Terwijl de veren drogen
vouwt
hij
zijn
kleine
woorden
tot bootjes, worden goedgevormde zinnen
in liefdevolle stomheid nagestaard.
Opstaan, geleidelijk vaste vorm verliezen
nu en wachten tot hij zich tussen de dunne
wanden van zijn huid als in een aangestoten
vissenkom wiegen kan.
Aan de oppervlakte van zijn onderarm
plaatst hij het lijfje van een vogel
om vlak voordat hij wegspoelt
een zelfbedacht geheim in te bewaren.
terug naar boven
II
Zij drijft met haar ogen open, haar mond
al bijna zo bleek als de stenen en hij
kleedt haar aan met alles wat hij heeft
draagt haar tot waar het op zou houden
als hij begreep waarmee, met zijn armen
die weigeren van vlees te worden, zijn
tot sjaal geweekte zus, met al zijn ongeloof
kabbelt hij in haar volgelopen gezicht om
nog een knik, een fonkeling.
terug naar boven
III
‘Hier had je moeten spinnen, mijn vogeltje
en hier braken de golven het laatste stukje lint
rolde een kolk het laatste bootje op zijn kant
maar nog deed je niets dan zwellen en verbleken
en in steeds meer kleurloze stukjes verdeeld raken
steeds meer steeds kleinere losse vlokjes.’
‘Alles wordt alleen maar lichter, lief broertje
tussen jou en mij al bijna niets meer heel
heel even nog en je weet weer geen verschil
en geen verband meer dat ons uit elkaar houdt
neem dan – kusje – je klein geheim weer in, woordjes op
en laat maar – kusje – terug over je droge lippen rollen.’
terug naar boven
|